Bestek Nieuwe School Heesch 19-12-1768

Afdrukken

Art: 1 Bestecq en conditie waar naar Heeren officier en regenten deses dorps en dingbanks van Heesch publicq en voor alle man aan den minst aanneemende sullen aanbesteeden, het maken van een nieuwe school, so en in dier voegen als hier naar is volgende.
Den aanneemer sal de oude muur der oude school moeten afbreeken en sal de oude steenen in de fondamenten der nieuwe school mogen gebruijken, en verders geen oude materialen dan alleen de oude schrijftaaffel, en bank agter de selve, als meede de eijke palen daar de voorschreven taaffel en banck op staat als ook den ouden lessenaar en stoel, sullende de anderen afbraak sijn ten profijte van de Gemeente

Art: 2
Den aanneemer sal de nieuwe school moeten setten, met de noordsijde op de kerkmuurtegen over het huijs, daar het hem sal worden aangeweesen, En sal deselve moeten aanleggen lang binnewerk 29 voeten, en breed binnewerk 18 3/4 voeten, De fondamenten diep in de grond, Na dat deselve alvorens wel en ter degen vast gestampt is diep 30 duijm en dik 2 1/2 mopsteen Potiets, en telkens snijden alle vier lagen, dat deselve 6 duijm onder den grond ter dikte van 1 1/2 steen bevonden word, dan vervolgens opmetselen ter dikte van een mopsteen, Hoog boven de grond 9 1/2 voet, En sal de rollaag van de kerkmuur so verre moeten afbreeken, en meede in een goed verband moeten opmetselen ter gelijke hoogte van 9 1/2 voet, asl meede den muur in ´t westen onder den schilt alle van gelijke hoogte en dikte.

Art: 3 Den aanneemer sal den gevel in ´t oosten soo hoog moeten opmetselen, dat die 4 duijm boven het strooije dak komt te bereijken en met bekwaame vlegtingen, asl meede den schoorsteen daar wel in verbonden, ter dikte van eene mopsteen Potiets, den boesem van de schouw van bovensteen alle naar den eijs van ´t werk.

Art: 4 Den aanneemer sal in voorschreven sijmuuren en gevels moeten maken de noodige bolkosijnen een deurkosijn, vensters en glasramen, te weeten 7 bolkosijnen, met haar vensters en glasraamen, waartoe hij sal moeten gebruijken de stijlen en bovendorpels greijnen en de onderdorpels eijken alle van 4 en 6 duijm, Hoog in den dagh 40 duijm, en breed in den dagh ieder ligt 24 duijm. Alle met 5/4 duijms gat en pinnen door den anderen gewerkt, en opsluijten met 3/4 duijms houte treknagels, als meede goede en bekwame sponne voor de glasramen.

Art: 5 Den aanneemer sal in dese voorschreven bolkosijnen moeten maken de noodige vensters waartoe sal moeten gebruijken een duijms vuure deelen, regt gestreeken en digt in den anderen geploegt, de klampen van greijne saagde deelen breed 9 ende steekklampen breed 5 1/4 duijm, alle glat geschaaft en voorsien met een 3/4 duijms aijef in´t versteeg, naar den eijs, wel gespijkert met 4 lbse sluijpers, niet wijder van den anderen als drie duijm, deselve afhangen met duijm gehengen lang 12 duijm en van bekwaame swaarte, ieder agter met een goede klinknagel voorsien, en sluijten met grendel en knipslooten van no2, wel gespijkert als meede de nodige haaken buijten in de muur om de vensters voor het toewaaijen vast te setten na den eijs van´t werk

Art: 6 Den aanneemer sal nog moeten maken in de voorschreven bolkosijnen de nodige glasraamen de buijtenregels greijnen, breed 2 1/8 en dik 5/4 duijm blijvens hout, de spijlen wageschot (wagenschot = rechtdradig en gladde eiken planken gezaagd uit over de vollelengte gekloofde stukken, uit: Verdam, Middelnederlandsch woordenboek) dik 3/4 duijm, ieder glasraam te verdeelen in 3 ruijten breed en 4 hoog, alle met gat en pinnen en met bekwame raamschaven bewerkt naar den eijs van´t werk als meede bekwame sponne voor de ruijten afhangen met beslag duijm gehengen en aan ieder een ijseren ringetjen om open te trekken sluijten met een wervel

Art: 7 Den aanneemer sal nog moeten maken in den gevel